8 AUGUSTUS 1994. - Koninklijk besluit betreffende de Europese Vuurwapenpassen.
Belgisch Staatsblad 30 augustus 1994
Gewijzigd door KB 20 juli 2000, B.S., 30 augustus 2000
KB 17 juni 2002, B.S., 21 juni 2002
KB 21 december 2006, B.S., 29 december 2006
KB 29 december 2006, B.S., 9 januari 2007
De pas is persoonlijk en moet aan iedere politie-ambtenaar worden overgelegd gedurende de tijd nodig voor de controle ervan.
1° indien de aanvrager houder is van een jachtverlof of van een sportschutterslicentie, een kopie van die documenten;
2° indien de aanvrager wenst dat op de pas [vergunningsplichtige vuurwapens] vermeld worden, een kopie van zijn vergunning tot het voorhanden hebben van die wapens of van de daarmee gelijkgestelde documenten; (art. 7 KB 29 XII 2006)
3° […] (opgeheven door art. 7 KB 29.XII.2006)
De gegevens betreffende de identificatie van de houder van de pas en de kenmerken van de op de pas vermelde wapens worden door de diensten van de gouverneur in het Centraal Wapenregister ingebracht. (vervangen door art. 3 KB 17 VI 2002)
Art. 4. Op de pas is nader bepaald of een reis in een of meer Staten van de Europese Unie met de op de pas vermelde wapens verboden is of daartoe de voorafgaande toestemming van de nationale autoriteiten van de bezochte Staat vereist is.
Art. 5. De pas is ten hoogste vijf jaar geldig en kan eenmaal worden hernieuwd. Passen die alleen betrekking hebben op lange eenschotswapens met gladde loop, zijn ten hoogste tien jaar geldig.
Art. 6. Wanneer op de pas vermeldingen moeten worden toegevoegd of verwijderd die betrekking hebben op wapens die de houder van de pas niet meer voorhanden heeft of inzake wapens die de houder verkrijgt, moet de betrokkene hem op eigen initiatief of (op verzoek van de lokale politie toezenden aan de gouverneur bevoegd voor zijn verblijfplaats).
(art. 4 KB 17 VI 2002)
De aanvraag terzake moet worden ingediend aan de hand van het formulier waarvan een model als bijlage bij dit besluit gaat.
Art. 7. Bij aanvraag van een pas, behalve wanneer de aanvraag betrekking heeft op een duplicaat van een verloren, gestolen of vernielde pas, is een retributie verschuldigd van 12,5 euro.
Bij aanvraag om verkrijging van een duplicaat van een verloren, gestolen of vernielde pas of bij een aanvraag om wijziging of aanvulling van de pas, is een retributie verschuldigd van 5 euro.
Deze retributies worden gekweten in speciën, via overschrijving of elektronische betaalmiddelen, volgens de modaliteiten die door de bevoegde minister of de bevoegde overheidsdienst worden bepaald.
Diefstal, verlies of vernietiging van de pas moet worden meegedeeld aan de gouverneur die hem heeft afgegeven. (art. 22 KB 20 VII 2000, art. 5 KB 17 VI 2002 en art.81 KB 21.XII.2006)
Art. 8. Eenieder die houder is van een Europese pas die door een lid-Staat van de Europese Unie is afgegeven en die tijdelijk in België wil verblijven met vuurwapens die volgens de Belgische wetgeving onderworpen zijn aan een vergunning tot het voorhanden hebben ervan, moet vooraf de door zijn nationale autoriteit afgeleverde pas doen toekomen aan de Minister van Justitie, Bestuur Veiligheid van de Staat, waarbij hij de duur en de redenen van zijn verblijf nader moet omschrijven. Wanneer op de pas het zegel van het Ministerie van Justitie is aangebracht, geldt hij als vergunning tot het tijdelijk voorhanden hebben van die wapens in België. Deze vergunning kan toegekend worden voor een of meerdere verblijven en dit voor een hernieuwbare, maximale periode van een jaar.
Eenieder die houder is van een Europese pas die door een lid-Staat van de Europese Unie is afgegeven en die tijdelijk in België wil verblijven met vuurwapens die volgens de Belgische wetgeving niet onderworpen zijn aan een vergunning tot het voorhanden hebben ervan, moet alleen een geldige pas bij zich dragen, waarop die vuurwapens zijn vermeld.
De personen bedoeld in de voorgaande leden moeten de reden van de tijdelijke aanwezigheid van hun wapens op het Belgisch grondgebied kunnen verantwoorden.
Art. 9. De personen bedoeld in het vorig artikel mogen op het Belgisch grondgebied de munitie meebrengen die overeenstemt met hun noden. Behoudens wettige reden mag hun aantal niet hoger zijn dan [150 stuks]. (art. 7 KB 29 XII 2006)
Art. 10. Onze Vice-Eerste Minister en Minister van Justitie en Economische Zaken, Onze Vice-Eerste Minister en Minister van Begroting en Onze Minister van Binnenlandse Zaken en Ambtenarenzaken zijn, ieder wat hem betreft, belast met de uitvoering van dit besluit.
Wapenunie Online