29 DECEMBER 2006. - KB tot uitvoering van sommige bepalingen van de wet van 8 juni 2006 houdende regeling van economische en individ

Belgisch Staatsblad 9 januari 2007, gewijzigd door KB van 16 oktober 2008 tot wijziging van diverse uitvoeringsbesluiten van de wapenwet, B.S.20 oktober 2008, derde editie

HOOFDSTUK I. - Erkenning met het oogop de uitoefening van de activiteiten bedoeld in artikel 6 van de Wapenwet
HOOFDSTUK II. - Vergunningen tot het voorhanden hebben van vuurwapens (artikel 11 van de Wapenwet)
HOOFDSTUK III. - Verwerven en voorhanden hebben van wapens overeenkomstig artikel 12 van de Wapenwet
HOOFDSTUK IV. - Het vernietigen van wapens (artikel 35, 5° van de Wapenwet)
HOOFDSTUK V. – Wijzigingsbepalingen
HOOFDSTUK VI. - Tijdelijke en overgangsbepalingen
HOOFDSTUK VII. – Slotbepalingen


HOOFDSTUK I. - Erkenning met het oogop de uitoefening van de activiteiten bedoeld in artikel 6 van de Wapenwet

Artikel 1. § 1. De aanvrager van een erkenning bedoeld in artikel 6, § 1, van de Wapenwet moet op het moment van de indiening van de aanvraag :
1° bewijzen reeds [5] behoorlijk vergunde vuurwapens voorhanden te hebben;
2° een thema opgeven dat de uitbreiding van het museum of de verzameling rechtvaardigt en tevens beperkt.

Als dit thema wapens vervaardigd na 1945 behelst, is het niet toegelaten meerdere exemplaren van wapens met een zelfde model, kaliber en benaming te verwerven. De gouverneur kan het totale aantal toegelaten wapens beperken in functie van de omstandigheden waarin de wapens zullen worden opgeslagen. Munitie voor die wapens mag slechts worden verzameld a rato van tien patronen per type wapen, tenzij de betrokkene ook is erkend voor het verzamelen van munitie.

Ongeacht het gekozen thema kan de gouverneur dit in het belang van de openbare veiligheid beperken als het te ruim of onverantwoord voorkomt. Bovendien moet de aanvrager na de erkenning de 10 wapens bedoeld in het eerste lid inschrijven in een register overeenkomstig artikel 23 van het koninklijk besluit van 20 september 1991 tot uitvoering van de wet van 3 januari 1933 op de vervaardiging van, de handel in en het dragen van wapens en op de handel in munitie, en de vergunningen tot het voorhanden hebben ervan aan de gouverneur terugsturen.

Het is bovendien verboden met de verzamelde wapens te schieten, behalve voor hun noodzakelijke onderhoud en testen.

§ 2. De aanvrager van een bijzondere erkenning bedoeld in artikel 6, § 2, van de Wapenwet moet de afstemming van de bijzondere erkenning op de uitgeoefende activiteit aantonen. Hij moet zijn beroepsbekwaamheid bewijzen op de wijze die door de gouverneur wordt bepaald en de wettige oorsprong van de voor zijn activiteit aangewende financiële middelen schriftelijk bewijzen.

De gouverneur kan de erkenning weigeren wanneer hij oordeelt dat ze een risico voor de openbare orde, veiligheid of rust kan inhouden. Hij kan ze onderwerpen aan bijzondere voorwaarden of de aanvrager verplichten een andere vorm van erkenning aan te vragen als hij oordeelt dat deze meer aangewezen is.
(§1, eerste lid gewijzigd door art. 21 KB 16.X.2008)


HOOFDSTUK II. - Vergunningen tot het voorhanden hebben van vuurwapens (artikel 11 van de Wapenwet)

Art. 2. De voorwaarden waaronder de in artikel 11, § 3, 9°, van de Wapenwet opgesomde redenen, waarvan er een of meerdere moeten ingeroepen worden als wettige redenen voor het voorhanden hebben van een vergunningsplichtig vuurwapen, kunnen worden aangenomen, zijn :
1° voor reden a), het voorleggen van een geldig jachtverlof of een officiële aanstelling als bijzondere wachter, en het wapen uitsluitend voor deze reden of voor het kleischieten gebruiken;
2° voor reden b), het voorleggen van een geldige sportschutterslicentie of schriftelijke bewijzen van vroegere deelname aan dergelijke activiteiten, en het wapen uitsluitend voor deze reden of reden f) gebruiken;
3° voor reden c), het aantonen van het bijzonder risico dat de aanvrager persoonlijk loopt naar aanleiding van zijn beroepsactiviteit en van de noodzaak een vuurwapen voorhanden te hebben, en het wapen uitsluitend voor deze reden gebruiken;
4° voor reden d), het aantonen dat de aanvrager voor zijn persoonlijke veiligheid reeds alle andere haalbare maatregelen heeft genomen, en het wapen uitsluitend voor deze reden gebruiken;
5° voor reden e), in afwachting van de aanvraag van een erkenning overeenkomstig artikel 6, § 1, van de Wapenwet, deze wapens louter te bezitten, met de bijhorende munitie a rato van een patroon per type wapen, zonder ze te gebruiken;
6° voor reden f), de historische, folkloristische, culturele of wetenschappelijke aard van de beoefende activiteit aantonen, en het wapen uitsluitend voor dit doel gebruiken.


HOOFDSTUK III. - Verwerven en voorhanden hebben van wapens overeenkomstig artikel 12 van de Wapenwet

Art. 3. De personen bedoeld in artikel 12, 3°, van de Wapenwet mogen alleen munitie verwerven en voorhanden hebben voor de wapens die zijn vermeld op hun Europese vuurwapenpas. Ze mogen op grond van dit document geen wapens verwerven.


HOOFDSTUK IV. - Het vernietigen van wapens (artikel 35, 5° van de Wapenwet)

Art. 4. Het vernietigen van wapens bestaat uit het definitief onbruikbaar maken ervan. Van vuurwapens moeten alle aan de proef onderworpen onderdelen worden vernietigd.

Zeldzame en didactisch interessante exemplaren kunnen evenwel door de directeur van de proefbank voor vuurwapens worden geselecteerd en bezorgd aan politiescholen en openbare musea die hierom verzoeken.

Dit gebeurt door de proefbank voor vuurwapens die, indien bepaalde handelingen voor haar materieel onmogelijk zijn, hiertoe opdracht kan geven aan derden mits toezicht te houden op de uitvoering. Alleen de proefbank voor vuurwapens kan certificaten van vernietiging opmaken waarin de betrokken wapens worden vermeld, evenals de opdrachtgever.

De vernietiging van wapens krachtens artikel 45, § 1, van de Wapenwet en van wapens waarvan vrijwillig afstand is gedaan, kan evenwel ook toevertrouwd worden aan bedrijven die daartoe door de gouverneur worden aangewezen nadat ze voldoende kwaliteits- en veiligheidsgaranties hebben geboden. In dat geval ziet de politie toe op de vernietiging.


HOOFDSTUK V. – Wijzigingsbepalingen

[art. 5 tot 11 niet opgenomen]


HOOFDSTUK VI. - Tijdelijke en overgangsbepalingen

Art. 16. § 1. De procedure bedoeld in artikel 44, § 1, van de Wapenwet verloopt als volgt :
1° het ongeladen, gedemonteerd en verpakt wapen wordt overhandigd aan de lokale politie die onmiddellijk aan de hand van de karakteristieken ervan nagaat of het niet wordt gezocht of staat geseind. Zoniet wordt de betrokkene vrijgesteld van vervolging en krijgt hij een ontvangstbewijs;
2° er wordt een aanvraag om de nodige vergunning opgesteld overeenkomstig artikel 12 van het koninklijk besluit van 20 september 1991 tot uitvoering van de wet van 3 januari 1933 op de vervaardiging van, de handel in en het dragen van wapens en op de handel in munitie;
3° de aanvraag wordt doorgestuurd naar de bevoegde gouverneur;
4° de lokale politie houdt het wapen in bewaring tot de gouverneur een vergunning afgeeft. Bij weigering daarvan moet de betrokkene binnen een maand na deze beslissing aan de lokale politie laten weten aan welke erkende persoon hij het wapen wil in bewaring geven of overdragen, of dat hij het wil laten neutraliseren door de proefbank voor vuurwapens, of het wil afstaan voor vernietiging. Indien hij zijn keuze niet tijdig bekendmaakt, wordt hij geacht vrijwillig afstand te doen van het wapen.

§ 2. De registratie van wapens bedoeld in artikel 44, § 2, van de Wapenwet verloopt als volgt :
1° het ongeladen, gedemonteerd en verpakt wapen wordt voorgelegd aan de lokale politie;
2° indien de betrokkene houder is van een document zoals bedoeld in artikel 12, 1ste lid, 1° of 2°, van de Wapenwet registreert de lokale politie het wapen onmiddellijk en kosteloos in het Centraal wapenregister en levert hem een formulier model nr. 9 af, waarvan de vermeldingen worden aangepast overeenkomstig richtlijnen van de Minister van Justitie;
3° zoniet gaat de lokale politie na of hij aan de wettelijke voorwaarden voor registratie voldoet. Is dit het geval, dan wordt het wapen op zijn naam geregistreerd en wordt hem een formulier model nr. 6 afgegeven, en een vergunningsaanvraag wordt doorgestuurd naar de bevoegde gouverneur. De betrokkene mag het wapen voorhanden hebben in afwachting van de beslissing. Wordt de registratie geweigerd, dan moet de betrokkene het wapen binnen acht dagen na deze beslissing in bewaring geven of overdragen aan een erkend persoon, het laten neutraliseren door de proefbank voor vuurwapens, of het afstaan voor vernietiging.

Art. 17. De procedure bedoeld in artikel 45, § 1, van de Wapenwet verloopt als volgt :
1° het indien mogelijk gedemonteerd en verpakt wapen, dat in geval het een vuurwapen is, ook ongeladen moet zijn, wordt overhandigd aan de lokale politie, die onmiddellijk aan de hand van de karakteristieken ervan nagaat of het niet wordt gezocht of staat geseind. Zoniet wordt aan de betrokkene de anonimiteit gegarandeerd, wordt hij vrijgesteld van vervolging en krijgt hij een ontvangstbewijs;
2° de karakteristieken van het wapen worden genoteerd in een lijst van ingeleverde wapens, die samen met die wapens wordt bezorgd aan de instelling die overeenkomstig artikel 4 voor de vernietiging van de wapens instaat;
3° telkens als er een hoeveelheid ingeleverde wapens en munitie aanwezig is, die naar oordeel van de korpschef niet meer op een veilige manier ter plaatse kan worden bewaard, dient er een voldoende beveiligde verzending naar een van de in het 2° bedoelde instellingen plaats te vinden;
4° zeldzame en didactisch interessante exemplaren worden door de directeur van de proefbank voor vuurwapens, of op voorstel van de lokale politie door de gouverneur geselecteerd en bezorgd aan politiescholen en openbare musea die hierom verzoeken;
5° alle andere exemplaren worden vernietigd en de proefbank voor vuurwapens en de gouverneurs bezorgen op het einde van de inleveringsperiode een verslag aan de minister van Justitie.

Art. 18. De particulieren-houders van een erkenning van een privé-verzameling van wapens en munitie, waarop nog geen historisch thema als bedoeld in artikel 1, § 1, 3° staat vermeld, moeten dit binnen het jaar na de inwerkingtreding van dit besluit opgeven aan de gouverneur, die het kan aanvaarden of beperken. Dit thema heeft enkel betrekking op de verwerving van bijkomende wapens vanaf de inwerkingtreding van dit besluit. Het 2de en 3de lid van artikel 1, § 1, zijn van toepassing op deze verzamelingen, maar de beperking op het aantal wapens slaat enkel op de verwerving van bijkomende wapens vanaf de inwerkingtreding van dit besluit.


HOOFDSTUK VII. - Slotbepalingen

Art. 19. Worden opgeheven :
1° de twee koninklijke besluiten van 23 augustus 1933 en de ongedateerde koninklijke besluiten gepubliceerd op 25 november 1933 en 31 december 1933 ter uitvoering van de wet van 3 januari 1933;
2° het koninklijk besluit van 12 april 1936 houdende machtiging tot het vervaardigen, met het oog op den uitvoer, van geweerstokken;
3° het koninklijk besluit van 21 december 1936 waarbij de bommen en granaten van allen aard onder de verboden wapenen worden gerangschikt en waarbij de vervaardiging dezer tuigen, met het oog op den uitvoer, wordt toegelaten;
4° het koninklijk besluit van 30 januari 1961 waarbij de werpmessen in de categorie van de verboden wapens worden gerangschikt;
5° het koninklijk besluit van 9 augustus 1980 tot indeling bij de categorie verboden wapens van de korte vlegel, bekend onder de benaming « Nunchaku », en van bepaalde katapulten, gewijzigd bij het koninklijk besluit van 30 maart 1983;
6° het koninklijk besluit van 29 december 1988 tot indeling van de lange vuurwapens, uitgerust met een greep of een bepaalde soort kolf, bij de categorie verweerwapens, gewijzigd bij het koninklijk besluit van 27 april 1989;
7° het koninklijk besluit van 29 december 1988 tot indeling van sommige vuurwapens met één of meer gladde lopen bij de categorie verweerwapens, gewijzigd bij de koninklijke besluiten van 27 april 1989, 21 september 1992 en 11 december 1992;
8° het koninklijk besluit van 17 april 1989 tot indeling van de werpsterren bij de categorie verboden wapens;
9° het koninklijk besluit van 11 juli 1990 tot indeling van sommige trommelkarabijnen bij de categorie verweerwapens;
10° het koninklijk besluit van 28 januari 1991 tot indeling van sommige vuurwapens in de categorie verweerwapens;
11° het koninklijk besluit van 29 januari 1991 tot indeling van de vuurwapens die munitie van verweerwapens afvuren, in de categorie verweerwapens;
12° het koninklijk besluit van 20 september 1991 betreffende de wapens die wijzigingen hebben ondergaan;
13° het koninklijk besluit van 20 september 1991 betreffende bepaalde categorieën hagelpatronen;
14° het koninklijk besluit van 15 oktober 1991 tot regeling van de schietstanden gebruikt voor de opleiding en training in vuurwapens, gewijzigd bij de koninklijke besluiten van 20 december 1994 en 9 mei 1995.

Art. 20. De artikelen 6, 16, 17, 18, 30, 31 en 32 van de wet van 8 juni 2006 houdende regeling van economische en individuele activiteiten met wapens en dit besluit treden in werking op de dag van de publicatie van dit besluit in het Belgisch Staatsblad.

Hetzelfde geldt voor artikel 5, §§ 3 tot 5 en artikel 7 van dezelfde wet, doch enkel voor zover deze bepalingen noodzakelijk zijn voor de toepassing van haar artikel 6.

Artikel 16 van de wet van 3 januari 1933 op de vervaardiging van, de handel in en het dragen van wapens en op de handel in munitie wordt opgeheven.

Art. 21. Onze Minister van Justitie en Onze Minister van Binnenlandse Zaken zijn, ieder wat hem betreft, belast met de uitvoering van dit besluit.