Gecoördineerde versie Europese wapenrichtlijn

Richtlijn 91/477/EEG van de Raad van 18 juni 1991 inzake de controle op de verwerving en het voorhanden hebben van wapens
Publicatieblad Nr. L 256 van 13/09/1991 blz. 0051 - 0058
Bijzondere uitgave in het Fins: Hoofdstuk 15 Deel 10 blz. 0145
Bijzondere uitgave in het Zweeds: Hoofdstuk 15 Deel 10 blz. 0145

Gewijzigd door richtlijn 2008/51 van het Europees Parlement en de Raad van 21 mei 2008
Publicatieblad Nr. L 179 van 08/07/2008 blz. 5 - 11

Gewijzigd door richtlijn 2017/853 van het Europees Parlement en de Raad van 17 mei 2017
Publicatieblad Nr. L 137 van 24/05/2017 blz. 22 - 39

Opmerking: Omzetting wijzigingen in de richtlijn
De lidstaten doen de nodige wettelijke en bestuursrechtelijke bepalingen in werking treden om uiterlijk op 14 september 2018 aan deze richtlijn te voldoen. Zij stellen de Commissie daarvan onverwijld in kennis.

In afwijking van het eerste lid van dit artikel, doen de lidstaten de nodige wettelijke en bestuursrechtelijke bepalingen in werking treden om uiterlijk op 14 december 2019 aan artikel 4, lid 3, en artikel 4, lid 4, van Richtlijn 91/477/EEG, als gewijzigd bij deze richtlijn, te voldoen. Zij stellen de Commissie daarvan onverwijld in kennis.

Inhoud

HOOFDSTUK 1 Werkingssfeer
HOOFDSTUK 2 Harmonisatie van de wetgevingen betreffende vuurwapens
HOOFDSTUK 3 Formaliteiten voor het verkeer van wapens in de Gemeenschap
HOOFDSTUK 4 Slotbepalingen
Bijlage 1
Bijlage 2

RICHTLIJN VAN DE RAAD van 18 juni 1991 inzake de controle op de verwerving en het voorhanden hebben van wapens (91/477/EEG)

Preambule te raadplegen onder de originele tekst van de richtlijnen:
Richtlijn 91/477
Richtlijn 2008/51
Richtlijn 2017/853


HOOFDSTUK 1 Werkingssfeer

Artikel 1

1.1. Voor de toepassing van deze richtlijn wordt verstaan onder:

1. „vuurwapen”: een draagbaar, van een loop voorzien wapen waarmee door explosieve voortstuwing een lading, een kogel of een projectiel wordt uitgestoten, en dat daartoe is ontworpen of daartoe kan worden omgebouwd, tenzij het is uitgesloten van die definitie om een van de in punt III van bijlage I genoemde redenen. Vuurwapens worden onderverdeeld in punt II van bijlage I.

Een object wordt geacht te kunnen worden omgebouwd zodat door middel van explosieve voortstuwing een lading, kogel of projectief uitgestoten kan worden, wanneer:

a)het qua vormgeving gelijk is aan een vuurwapen, en

b)het ingevolge zijn constructie of het materiaal waarvan het is gemaakt aldus kan worden omgebouwd;

2. „essentieel onderdeel”: de loop, de framegroep, de kastgroep (indien van toepassing zowel het bovenste als het onderste gedeelte van de kastgroep), de slede, de cilinder, de grendel of het afsluiterblok, die, als afzonderlijke voorwerpen, vallen onder de categorie waarin het vuurwapen waarvan zij deel uitmaken of waarvoor zij bestemd zijn, is ingedeeld;

3. „munitie”: het gehele stuk of zijn componenten, met inbegrip van patroonhouder, slaghoedje, voortstuwingskruit, kogels en projectielen, die worden gebruikt in een vuurwapen voor zover deze componenten zelf onderworpen zijn aan vergunningen in de betrokken lidstaat;

4. „alarm- en seinwapens”: voorzieningen met een patroonhouder die zijn ontworpen om enkel losse patronen, irriterende stoffen, andere werkzame stoffen of pyrotechnische seinpatronen af te vuren en die niet kunnen worden omgebouwd om door explosieve voortstuwing een lading, een kogel of een projectiel uit te stoten;

5. „wapens voor saluutschoten en akoestische signalen”: vuurwapens die specifiek omgebouwd zijn om enkel losse patronen af te vuren en bedoeld zijn voor gebruik in bijvoorbeeld theatervoorstellingen, fotosessies, film- en televisieopnames, het naspelen van historische gebeurtenissen, optochten, sportevenementen en opleiding;

6. „onbruikbaar gemaakte vuurwapens”: vuurwapens die voorgoed onbruikbaar zijn gemaakt door een neutralisatie die inhoudt dat alle essentiële onderdelen van het vuurwapen in kwestie voorgoed onbruikbaar worden gemaakt en onmogelijk zodanig verwijderd, vervangen of aangepast kunnen worden dat het wapen op enigerlei wijze opnieuw gebruiksklaar zou kunnen worden gemaakt;

7. „museum”: een permanente instelling ten dienste van de samenleving en de ontwikkeling daarvan, die toegankelijk is voor het publiek en die vuurwapens, essentiële onderdelen of munitie verwerft, bewaart, onderzoekt en tentoonstelt voor historische, culturele, wetenschappelijke, technische, educatieve of amusementsdoeleinden of uit erfgoedoverwegingen, en die door de betrokken lidstaat als zodanig is erkend;

8. „verzamelaar”: iedere natuurlijke of rechtspersoon die zich bezighoudt met het verzamelen en bewaren van vuurwapens, essentiële onderdelen of munitie voor historische, culturele, wetenschappelijke, technische of educatieve doeleinden of uit erfgoedoverwegingen, en die door de betrokken lidstaat als zodanig is erkend;

9. „wapenhandelaar”: iedere natuurlijke of rechtspersoon wiens handel of bedrijf geheel of gedeeltelijk bestaat in:

a)het vervaardigen, verhandelen, uitwisselen, verhuren, repareren, aanpassen of ombouwen van vuurwapens of essentiële onderdelen, of

b)het vervaardigen, verhandelen, uitwisselen, aanpassen of ombouwen van munitie;

10. „wapenmakelaar”: iedere natuurlijke of rechtspersoon, anders dan een wapenhandelaar, wiens handel of bedrijf geheel of gedeeltelijk bestaat in:

a)het onderhandelen over of regelen van transacties voor de aankoop, verkoop of levering van vuurwapens, essentiële onderdelen of munitie, of

b)het organiseren van de overbrenging van vuurwapens, essentiële onderdelen of munitie binnen een lidstaat, van de ene lidstaat naar een andere lidstaat, van een lidstaat naar een derde land of van een derde land naar een lidstaat;

11. „illegale vervaardiging”: de vervaardiging of assemblage van vuurwapens, essentiële onderdelen en munitie daarvan:

a)op basis van ongeacht welke essentieel onderdeel van dergelijke illegaal verhandelde vuurwapens;

b)zonder een in overeenstemming met artikel 4 afgegeven vergunning van een bevoegde autoriteit van de lidstaat waar de vervaardiging of assemblage plaatsvindt, of

c)zonder de vuurwapens bij de vervaardiging te markeren overeenkomstig artikel 4;

12. „illegale handel”: verwerving, verkoop, aflevering, vervoer of de overbrenging van vuurwapens, essentiële onderdelen daarvan of munitie vanaf of over het grondgebied van een lidstaat naar het grondgebied van een andere lidstaat, indien een van de betrokken lidstaten daartoe geen toestemming heeft verleend overeenkomstig deze richtlijn, of indien de vuurwapens, essentiële onderdelen of munitie niet zijn gemarkeerd overeenkomstig artikel 4;

13. „tracering”: het op systematische wijze opsporen van vuurwapens en, waar mogelijk, essentiële onderdelen en munitie daarvan van fabrikant tot koper, teneinde de bevoegde instanties van lidstaten in staat te stellen illegale vervaardiging van en illegale handel in vuurwapens vast te stellen, te onderzoeken en te analyseren.

2. Voor de toepassing van deze richtlijn wordt een persoon geacht ingezetene te zijn van het land dat wordt aangegeven in het adres dat vermeld staat op een officieel document waaruit zijn of haar verblijfplaats blijkt, zoals een paspoort of een nationale identiteitskaart, waarbij dit document, bij een controle op het verwerven of het voorhanden hebben, aan de bevoegde autoriteiten van een lidstaat of aan een wapenhandelaar of -makelaar wordt voorgelegd. Indien het adres van een persoon niet op het paspoort of de nationale identiteitskaart staat vermeld, wordt het land waar die persoon ingezetene is vastgesteld op basis van een ander officieel, door de betrokken lidstaat erkend bewijs van verblijf.

3. Een „Europese vuurwapenpas” wordt door de bevoegde autoriteiten van een lidstaat op verzoek afgegeven aan een persoon die rechtmatige houder en gebruiker van een vuurwapen wordt. De vuurwapenpas is ten hoogste 5 jaar geldig en bevat de in bijlage II voorgeschreven vermeldingen; de geldigheidsduur ervan kan worden verlengd. De vuurwapenpas is een niet-overdraagbaar document waarin het vuurwapen dat of de vuurwapens die de houder van de pas voorhanden heeft en gebruikt, is of zijn vermeld. De pas moet steeds in het bezit zijn van de gebruiker van het vuurwapen en wijzigingen in het voorhanden hebben of de kenmerken van het vuurwapen, alsmede verlies of diefstal van het vuurwapen worden in de pas vermeld.

Artikel 2

1. Deze richtlijn doet geen afbreuk aan de toepassing van nationale bepalingen inzake het dragen van wapens, de jacht of het sportschieten, met behulp van rechtmatig, in overeenstemming met deze richtlijn verworven en voorhanden gehouden wapens.

2.Deze richtlijn is niet van toepassing op de verwerving en het voorhanden hebben, overeenkomstig de nationale wetgeving, van wapens en munitie door de strijdkrachten, politie of overheidsdiensten. Zij is evenmin van toepassing op transacties die geregeld zijn bij Richtlijn 2009/43/EG van het Europees Parlement en de Raad (*1).

(*1) Richtlijn 2009/43/EG van het Europees Parlement en de Raad van 6 mei 2009 betreffende de vereenvoudiging van de voorwaarden voor de overdracht van defensiegerelateerde producten binnen de Gemeenschap (PB L 146 van 10.6.2009, blz. 1).

Artikel 3

De Lid-Staten kunnen in hun wetgeving strengere voorschriften opnemen dan die welke in deze richtlijn zijn vervat, onder voorbehoud van de rechten die bij artikel 12, lid 2, aan de ingezetenen van de Lid-Staten worden toegekend.


HOOFDSTUK 2 Harmonisatie van de wetgevingen betreffende vuurwapens

Artikel 4

1. Wat betreft vuurwapens die op of na 14 september 2018 zijn vervaardigd of ingevoerd in de Unie, zorgen de lidstaten ervoor dat een dergelijk op de markt gebracht vuurwapen of essentieel onderdeel:

a)is voorzien van een duidelijke, blijvende en unieke markering en wel onmiddellijk na te zijn vervaardigd en uiterlijk voor het op de markt brengen ervan, of onverwijld na te zijn ingevoerd in de Unie, en

b)is geregistreerd in overeenstemming met deze richtlijn en wel onmiddellijk na te zijn vervaardigd en uiterlijk voor het op de markt brengen ervan, of onverwijld na te zijn ingevoerd in de Unie.

2. De unieke markering als bedoeld in lid 1, onder a), bevat de naam van de fabrikant of het merk, het land of de plaats van vervaardiging, het serienummer en het jaar van vervaardiging, indien dit nog geen onderdeel uitmaakt van het serienummer, en waar mogelijk het model. Zulks doet geen afbreuk aan de aanbrenging van de merknaam van de fabrikant. Indien een essentieel onderdeel te klein is om te worden gemarkeerd in overeenstemming met dit artikel, wordt het ten minste gemarkeerd met een serienummer of een alfanumerieke of digitale code.

De voorschriften voor de markering van vuurwapens of essentiële onderdelen die van bijzonder historisch belang zijn, worden bepaald volgens de nationale wetgeving.

De lidstaten zorgen ervoor dat elke kleinste verpakkingseenheid van volledige munitie zodanig wordt gemarkeerd dat de naam van de fabrikant, het identificatienummer van de batch (de partij), het kaliber en het type munitie worden aangegeven.

Voor de toepassing van lid 1 en dit lid kunnen de lidstaten ervoor opteren de bepalingen van het Verdrag van 1 juli 1969 inzake wederzijdse erkenning van keurmerken op handvuurwapens toe te passen.

Voorts zien de lidstaten erop toe dat uit staatsvoorraden afkomstige wapens of essentiële onderdelen daarvan die op de civiele markt worden gebracht met het oog op permanent civiel gebruik, worden voorzien van de unieke markering, als bedoeld in lid 1, aan de hand waarvan de entiteit van herkomst kan worden geïdentificeerd.

2 bis. De Commissie stelt uitvoeringshandelingen vast met technische specificaties voor de markering. Die uitvoeringshandelingen worden vastgesteld volgens de in artikel 13 ter, lid 2, bedoelde onderzoeksprocedure.

3. Iedere lidstaat stelt een systeem in voor het reguleren van de activiteiten van wapenhandelaren en -makelaren. Dergelijke systemen omvatten op zijn minst de volgende maatregelen:

a)de registratie van op het grondgebied van die lidstaat werkzame wapenhandelaren en -makelaren;

b)de verlening van vergunningen of machtigingen voor de activiteiten van wapenhandelaren en -makelaren op het grondgebied van die lidstaat, en

c)een controle van de persoonlijke en beroepsintegriteit, en de relevante bekwaamheid van de betrokken wapenhandelaar of -makelaar. Wanneer het een rechtspersoon betreft, wordt de controle gericht op zowel de rechtspersoon als op de natuurlijke persoon of personen die het bedrijf leidt of leiden.

4. Iedere lidstaat zorgt ervoor dat er uiterlijk op 31 december 2014 een, hetzij gecentraliseerd hetzij gedecentraliseerd, geautomatiseerd systeem van gegevensbestanden wordt ingevoerd en bijgehouden, dat waarborgt dat de bevoegde instanties toegang hebben tot de gegevensbestanden waarin elk vuurwapen dat onder de bepalingen van deze richtlijn valt, is geregistreerd. [In dat systeem van gegevensbestanden wordt alle informatie inzake vuurwapens bijgehouden die nodig is om die vuurwapens te traceren en te identificeren, met inbegrip van:

a)het type, merk, model, kaliber en serienummer van elk vuurwapen en het merkteken dat is aangebracht op de framegroep of kastgroep ervan als unieke markering overeenkomstig lid 1, dat dient voor de unieke identificatie van elk vuurwapen;

b)het serienummer of de unieke markering die is aangebracht op de essentiële onderdelen, indien er een verschil is met de markering op de framegroep of kastgroep van elk vuurwapen;

c)de namen en adressen van de leveranciers en van de personen die het wapen verwerven of voorhanden hebben, samen met de bijbehorende datum of data, en

d)iedere ombouw of aanpassing van een vuurwapen die ertoe leidt dat het moet worden ingedeeld in een andere categorie of subcategorie, met inbegrip van de gecertificeerde onbruikbaarmaking of vernietiging van het vuurwapen en de bijbehorende datum of data.

De lidstaten zorgen ervoor dat de documenten van vuurwapens en essentiële onderdelen, met inbegrip van de ermee verband houdende persoonsgegevens, door de bevoegde autoriteiten gedurende een periode van 30 jaar na de vernietiging van de vuurwapens of essentiële onderdelen in kwestie in de systemen van gegevensbestanden worden bewaard.

De documenten van vuurwapens en essentiële onderdelen als bedoeld in de eerste alinea van dit lid en de ermee verband houdende persoonsgegevens kunnen worden geraadpleegd:

a) door de autoriteiten die bevoegd zijn voor het verlenen of intrekken van vergunningen als bedoeld in artikel 6 of 7, of door de autoriteiten die bevoegd zijn voor douaneprocedures, gedurende een periode van 10 jaar na de vernietiging van het vuurwapen of de essentiële onderdelen in kwestie, en

b)door de autoriteiten die bevoegd zijn voor de voorkoming, het onderzoek, de opsporing of de vervolging van strafbare feiten of de tenuitvoerlegging van straffen, gedurende een periode van 30 jaar na de vernietiging van het vuurwapen of de essentiële onderdelen in kwestie.

De lidstaten zorgen ervoor dat de persoonsgegevens bij het verstrijken van de in de tweede en derde alinea bepaalde termijnen worden gewist uit het systeem van gegevensbanken. Dit laat gevallen waarin specifieke persoonsgegevens zijn overgedragen aan een autoriteit die bevoegd is voor de voorkoming, het onderzoek, de opsporing of de vervolging van strafbare feiten of de tenuitvoerlegging van straffen en in die specifieke context worden gebruikt, of aan andere autoriteiten bevoegd voor een verenigbaar doel waarin wordt voorzien uit hoofde van nationale wetgeving onverlet. In die gevallen wordt de verwerking van dergelijke gegevens door de bevoegde autoriteiten geregeld door de nationale wetgeving van de betrokken lidstaat, met volledige inachtneming van het Unierecht, met name inzake gegevensbescherming.

Wapenhandelaren en -makelaren zijn gedurende de gehele periode van hun activiteit verplicht een register bij te houden waarin alle bij hen inkomende of uitgaande onder de bepalingen van deze richtlijn vallende vuurwapens en essentiële onderdelen worden geregistreerd, zulks onder vermelding van bijzonderheden aan de hand waarvan het betrokken vuurwapen of essentieel onderdeel kan worden geïdentificeerd en getraceerd, met name het type, merk, model, kaliber en serienummer ervan en de namen en adressen van de leveranciers en van de personen die het hebben verworven.

Bij beëindiging van hun activiteiten leveren wapenhandelaren of -makelaren dat register in bij de nationale autoriteiten die bevoegd zijn voor de systemen van gegevensbestanden waarin de eerste alinea voorziet.

De lidstaten zorgen ervoor dat op hun grondgebied gevestigde wapenhandelaren en -makelaren onverwijld melding maken van transacties waarbij vuurwapens of essentiële onderdelen betrokken zijn bij de nationale bevoegde autoriteiten, dat wapenhandelaren en -makelaren over een elektronische verbinding beschikken met die autoriteiten voor deze rapporteringsdoeleinden en dat de systemen van gegevensbestanden onmiddellijk na ontvangst van informatie met betrekking tot dergelijke transacties worden geactualiseerd.]

5. De lidstaten zien erop toe dat alle vuurwapens op elk ogenblik kunnen worden gekoppeld aan hun eigenaar.

Artikel 4 bis

Onverminderd het bepaalde in artikel 3 staan de lidstaten het verwerven en voorhanden hebben van vuurwapens uitsluitend toe aan personen aan wie een vergunning is verleend of, met betrekking tot in categorie C ingedeelde vuurwapens, aan wie specifiek toestemming is verleend dergelijke vuurwapens te verwerven en voorhanden te hebben in overeenstemming met de nationale wetgeving.

Artikel 5

1. Onverminderd het bepaalde in artikel 3 staan de lidstaten het verwerven en voorhanden hebben van vuurwapens uitsluitend toe aan personen die daarvoor goede redenen hebben en die:
a)ten minste 18 jaar oud zijn, behalve in het geval van de verwerving, met uitzondering van aankoop, en het voorhanden hebben van vuurwapens ten behoeve van de jacht en het sportschieten, mits in dat geval personen jonger dan 18 jaar toestemming hebben van de ouders, of onder ouderlijk toezicht staan dan wel onder toezicht staan van een volwassene met een geldige vuurwapen- of jachtvergunning of zich in een vergund of anderszins erkend opleidingscentrum bevinden, en de ouder, of de volwassene met een geldige vuurwapen- of jachtvergunning, de verantwoordelijkheid op zich neemt voor passende opslag uit hoofde van artikel 5 bis, en

b)waarschijnlijk geen gevaar voor zichzelf of anderen, de openbare orde of de openbare veiligheid zullen vormen; een veroordeling voor een opzettelijk geweldmisdrijf wordt beschouwd als een indicatie van een dergelijk gevaar.

2. De lidstaten zorgen voor een monitoringsysteem, waarvan de werking naar keuze op permanente of niet-permanente basis verloopt, om te waarborgen dat aan de in de nationale wetgeving vastgestelde voorwaarden voor de verlening van een vergunning wordt voldaan voor de volledige duur van de vergunning en er onder meer een beoordeling wordt verricht van de desbetreffende medische en psychologische informatie. De specifieke regelingen worden bepaald overeenkomstig de nationale wetgeving.

Indien aan een van de voorwaarden voor de verlening van een vergunning niet langer wordt voldaan, trekken de lidstaten de betrokken vergunning in.

De lidstaten kunnen personen die op hun grondgebied verblijven, het voorhanden hebben van een in een andere lidstaat verworven vuurwapen alleen verbieden als de verwerving van hetzelfde type vuurwapen op hun eigen grondgebied is verboden.

3. De lidstaten zorgen ervoor dat een vergunning voor het verwerven en een vergunning voor het voorhanden hebben van een in categorie B ingedeeld vuurwapen wordt ingetrokken als blijkt dat degene aan wie die vergunning is verleend een magazijn in bezit heeft dat kan worden gemonteerd op semiautomatische vuurwapens met centrale ontsteking of repeteervuurwapens en dat:

a)meer dan 20 patronen kan bevatten, of

b)in het geval van lange vuurwapens, meer dan 10 patronen kan bevatten,

tenzij aan deze persoon een vergunning is verleend uit hoofde van artikel 6 of een vergunning die is bevestigd, vernieuwd of verlengd uit hoofde van artikel 7, lid 4 bis.

Artikel 5 bis
Om het risico dat onbevoegde personen zich toegang verschaffen tot vuurwapens en munitie tot een minimum te herleiden, stellen de lidstaten voorschriften vast voor een passend toezicht op vuurwapens en munitie, alsmede voorschriften voor de passende opslag ervan op een veilige manier. Vuurwapens en munitie daarvoor mogen niet samen gemakkelijk toegankelijk zijn. Passend toezicht betekent in dergelijke gevallen dat de persoon die het betrokken vuurwapen of de betrokken munitie rechtmatig voorhanden heeft, er gedurende het vervoer en het gebruik ervan controle over heeft. Het niveau van toezicht op dergelijke passende opslagvoorzieningen houdt rekening met het aantal en de categorie van de betrokken vuurwapens en munitie.

Artikel 5 ter
De lidstaten waarborgen dat bij de verwerving en verkoop van in categorie A, B of C ingedeelde vuurwapens, essentiële onderdelen of munitie middels overeenkomsten op afstand als gedefinieerd in artikel 2, punt 7, van Richtlijn 2011/83/EU van het Europees Parlement en de Raad (*2), de identiteit en, indien vereist, de vergunning van de koper van het vuurwapen, de essentiële onderdelen of munitie voorafgaand aan of uiterlijk op het moment van levering aan die persoon worden gecontroleerd door:

a)een wapenhandelaar of -makelaar met een vergunning of machtiging, of
b)een overheidsinstantie of een vertegenwoordiger van die autoriteit.

(*2) Richtlijn 2011/83/EU van het Europees Parlement en de Raad van 25 oktober 2011 betreffende consumentenrechten, tot wijziging van Richtlijn 93/13/EEG van de Raad en van Richtlijn 1999/44/EG van het Europees Parlement en de Raad en tot intrekking van Richtlijn 85/577/EEG en van Richtlijn 97/7/EG van het Europees Parlement en de Raad (PB L 304 van 22.11.2011, blz. 64).

Artikel 6

1. Onverminderd artikel 2, lid 2, nemen de lidstaten alle nodige maatregelen om de verwerving en het voorhanden hebben van de in categorie A ingedeelde vuurwapens, essentiële onderdelen en munitie te verbieden. Zij zorgen ervoor dat de vuurwapens, essentiële onderdelen en munitie die in strijd met dat verbod onrechtmatig in bezit werden gehouden in beslag worden genomen.

2. Voor de bescherming van de veiligheid van kritieke infrastructuur, koopvaardij, konvooien met een hoge waarde en kwetsbare gebouwen, alsook voor nationale defensie, educatieve, culturele, historische en onderzoeksdoeleinden en onverminderd lid 1, kunnen de nationale bevoegde autoriteiten in individuele gevallen, bij wijze van uitzondering en naar behoren gemotiveerd, vergunningen toekennen voor in categorie A ingedeelde vuurwapens, essentiële onderdelen en munitie, indien zulks niet strijdig is met de openbare veiligheid of de openbare orde.

3. De lidstaten kunnen ervoor opteren in individuele speciale gevallen, bij wijze van uitzondering en naar behoren gemotiveerd, vergunningen toe te kennen aan verzamelaars voor het verwerven en voorhanden hebben van in categorie A ingedeelde vuurwapens, essentiële onderdelen en munitie, mits aan strikte veiligheidsvoorwaarden wordt voldaan, onder meer door het leveren van bewijs aan de nationale bevoegde autoriteiten dat er maatregelen zijn getroffen om te kunnen omgaan met risico's voor de openbare veiligheid of de openbare orde en dat de betrokken vuurwapens, essentiële onderdelen of munitie zijn opgeslagen aan de hand van een veiligheidsniveau dat in verhouding staat tot de risico's van ongeoorloofde toegang tot deze voorwerpen.

De lidstaten waarborgen dat verzamelaars aan wie uit hoofde van de eerste alinea van dit lid een vergunning is verleend kunnen worden geïdentificeerd binnen het systeem van gegevensbestanden als bedoeld in artikel 4. Die verzamelaars met een vergunning zijn verplicht om een voor de nationale bevoegde autoriteiten toegankelijk register bij te houden van alle in categorie A ingedeelde vuurwapens die zij voorhanden hebben. De lidstaten brengen met betrekking tot deze verzamelaars met een vergunning een passend monitoringsysteem tot stand waarin rekening wordt gehouden met alle relevante factoren.

4.De lidstaten kunnen toestaan dat wapenhandelaren of -makelaren, in hun respectieve beroepshoedanigheid, in categorie A ingedeelde vuurwapens, essentiële onderdelen en munitie verwerven, vervaardigen, onbruikbaar maken, repareren, leveren, overbrengen en voorhanden hebben, mits aan strikte veiligheidsvoorwaarden wordt voldaan.

5.De lidstaten kunnen toestaan dat musea in categorie A ingedeelde vuurwapens, essentiële onderdelen en munitie verwerven en voorhanden hebben, mits aan strikte veiligheidsvoorwaarden wordt voldaan.

6.De lidstaten kunnen toestaan dat sportschutters in punt 6 of 7 van categorie A ingedeelde semiautomatische vuurwapens verwerven en voorhanden hebben, mits aan de volgende voorwaarden wordt voldaan:

a)relevante informatie die voortkomt uit de toepassing van artikel 5, lid 2, wordt voldoende beoordeeld;

b)bewijs wordt geleverd dat de betrokken sportschutter actief traint voor of deelneemt aan schietwedstrijden die worden erkend door een officieel erkende schietsportorganisatie in de betrokken lidstaat of door een internationale, officieel erkende schietsportfederatie, en

c)er wordt een certificaat voorgelegd van een officieel erkende schietsportorganisatie waarin wordt bevestigd dat:

i)de sportschutter lid is van een schietvereniging en daar gedurende ten minste twaalf maanden regelmatig heeft getraind, en

ii)het vuurwapen in kwestie voldoet aan de specificaties die vereist zijn voor een onderdeel van de schietsport dat wordt erkend door een internationale, officieel erkende schietsportfederatie.

Met betrekking tot in punt 6 van categorie A ingedeelde vuurwapens kunnen de lidstaten waar een algemene militaire dienstplicht geldt en waar gedurende de laatste 50 jaar een systeem bestond waarbij militaire vuurwapens worden overgedragen aan personen die het leger verlaten nadat zij hun dienstplicht hebben vervuld, die personen, in hun hoedanigheid van sportschutter, een vergunning verlenen om één vuurwapen dat zij gedurende hun dienstplicht hebben gebruikt te houden. De relevante overheidsinstantie bouwt deze vuurwapens om tot semiautomatische vuurwapens en controleert op gezette tijden of de personen die dergelijke vuurwapens gebruiken geen risico voor de openbare veiligheid vormen. Het bepaalde in de eerste alinea, onder a), b), en c), is van toepassing.

7. Vergunningen verleend op grond van dit artikel worden op gezette tijden herzien, met tussenpozen van niet meer dan 5 jaar.

Artikel 7

1. Een vuurwapen van categorie B mag op het grondgebied van een Lid-Staat niet worden verworven zonder dat deze de verwerver daartoe een vergunning heeft verleend.
Deze vergunning mag niet aan een ingezetene van een andere Lid-Staat worden verleend zonder voorafgaande toestemming van die Lid-Staat.

2. Niemand mag op het grondgebied van een Lid-Staat een vuurwapen van categorie B voorhanden hebben zonder dat deze Lid-Staat de houder daartoe een vergunning heeft verleend. Indien de houder ingezetene is van een andere Lid-Staat, wordt deze Lid-Staat daarvan op de hoogte gesteld.

3. De vergunning voor het verwerven en die voor het voorhanden hebben van een vuurwapen van categorie B kunnen in één enkele administratieve beslissing zijn belichaamd.

4. De lidstaten kunnen aan personen die aan de voorwaarden voor de verlening van een vuurwapenmachtiging voldoen, een meerjarige vergunning verlenen voor het verwerven en voorhanden hebben van alle machtigingsplichtige vuurwapens, onverminderd:

a) de verplichting de bevoegde instanties van eventuele overbrengingen in kennis te stellen;

b) regelmatige controles om te zien of die personen nog aan de voorwaarden voldoen, en

c) de in de nationale wetgeving vastgelegde maximumlimieten voor wapenbezit.

Vergunningen voor het voorhanden hebben van vuurwapens worden op gezette tijden herzien, met tussenpozen van niet meer dan 5 jaar. Een vergunning kan worden vernieuwd of verlengd als nog steeds wordt voldaan aan de voorwaarden op basis waarvan zij was verleend.

4 bis. De lidstaten kunnen beslissen om vergunningen voor in punt 6, 7 of 8 van categorie A ingedeelde semiautomatische vuurwapens te bevestigen, vernieuwen of verlengen voor wat betreft een vuurwapen dat was ingedeeld in categorie B, en dat rechtmatig was verworven en geregistreerd vóór 13 juni 2017, mits aan de andere in deze richtlijn neergelegde voorwaarden wordt voldaan. De lidstaten kunnen tevens toestaan dat deze vuurwapens worden verworven door andere personen aan wie door de lidstaten een vergunning is verleend in overeenstemming met deze richtlijn, als gewijzigd bij Richtlijn (EU) 2017/853 van het Europees Parlement en de Raad (*3).

(*3) Richtlijn (EU) 2017/853 van het Europees Parlement en de Raad van 17 mei 2017 tot wijziging van Richtlijn 91/477/EEG van de Raad inzake de controle op de verwerving en het voorhanden hebben van wapens (PB L 137 van 24.5.2017, blz. 22).

5. De lidstaten stellen voorschriften vast om ervoor te zorgen dat personen die houder zijn van een op grond van de op 28 juli 2008 geldende nationale wetgeving van kracht zijnde vergunning voor vuurwapens van categorie B geen licentie of machtiging hoeven aan te vragen voor in hun bezit zijnde vuurwapens van de categorieën C of D vanwege de inwerkingtreding van Richtlijn 2008/51/EG van het Europees Parlement en de Raad van 21 mei 2008 []. Echter voor elke latere overbrenging van vuurwapens van categorie C of D moet de overnemer een vergunning verwerven of aanhouden of beschikken over een specifieke machtiging voor het voorhanden hebben van die vuurwapens in overeenstemming met de nationale wetgeving.

Artikel 8

1. Een vuurwapen van categorie C mag niet voorhanden worden gehouden zonder dat de houder daarvan aangifte heeft gedaan bij de autoriteiten van de Lid-Staat waar het wapen voorhanden wordt gehouden.
De Lid-Staten stellen binnen een jaar na de inwerkingtreding van de nationale bepalingen ter omzetting van deze richtlijn de aangifte van alle, thans op hun grondgebied voorhanden gehouden vuurwapens van categorie C verplicht.

2. Verkopers, wapenhandelaars of particulieren doen de autoriteiten van de Lid-Staat waar de overdracht of aflevering van een vuurwapen van categorie C plaatsvindt, hiervan mededeling, met vermelding van de gegevens die de identificatie van de verwerver en het vuurwapen mogelijk maken. Indien de verwerver ingezetene is van een andere Lid-Staat, wordt deze Lid-Staat door de Lid-Staat waar de verwerving heeft plaatsgevonden en door de verwerver zelf van die verwerving in kennis gesteld.

3. Indien een lidstaat de verwerving en het voorhanden hebben van een in categorie B of C ingedeeld vuurwapen op zijn grondgebied verbiedt of afhankelijk stelt van een vergunning, stelt hij de andere lidstaten hiervan in kennis. Deze maken daarvan krachtens artikel 12, lid 2, uitdrukkelijk melding wanneer zij voor een dergelijk vuurwapen een Europese vuurwapenpas afgeven.

Artikel 9

1. Aflevering van een vuurwapen van de categorieën A, B en C aan een niet-ingezetene van de betrokken Lid-Staat is toegestaan, op voorwaarde dat de verplichtingen van de artikelen 6, 7 en 8 worden nageleefd, ten aanzien van:
- een verwerver die een vergunning in de zin van artikel 11 heeft verkregen om het vuurwapen zelf naar het land waar hij ingezetene is, over te brengen;
- een verwerver die een schriftelijke verklaring overlegt ter vermelding en verantwoording van zijn voornemen het vuurwapen in de Lid-Staat van verwerving voorhanden te hebben, mits hij aan de wettelijke voorwaarden voor het voorhanden hebben voldoet.

2. De Lid-Staten mogen, op door hen vast te stellen voorwaarden, de tijdelijke aflevering van vuurwapens toestaan.

Artikel 10

1. Voor de verwerving en het voorhanden hebben van munitie geldt dezelfde regeling als voor het voorhanden hebben van de vuurwapens waarvoor de munitie bestemd is.

De verwerving van magazijnen voor semiautomatische vuurwapens met centrale ontsteking die meer dan 20 patronen of meer dan 10 patronen in het geval van lange vuurwapens kunnen bevatten, is enkel toegestaan voor personen aan wie een vergunning is verleend uit hoofde van artikel 6 of van wie een vergunning is bevestigd, vernieuwd of verlengd uit hoofde van artikel 7, lid 4 bis.

2. Wapenhandelaren en -makelaren kunnen weigeren om transacties met het oog op de verwerving van volledige patronen of onderdelen van munitie af te ronden wanneer zij die redelijkerwijze verdacht vinden vanwege de aard of de schaal, en melden elke poging tot dergelijke transacties bij de bevoegde autoriteiten.

Artikel 10 bis

1. De lidstaten nemen maatregelen om te waarborgen dat voorzieningen met een patroonhouder die zijn ontworpen om enkel losse patronen, irriterende stoffen, andere werkzame stoffen of pyrotechnische seinpatronen af te vuren niet kunnen worden omgebouwd om door explosieve voortstuwing een lading, een kogel of een projectiel uit te stoten.

2. De lidstaten classificeren voorzieningen met een patroonhouder die zijn ontworpen om enkel losse patronen, irriterende stoffen, andere werkzame stoffen of pyrotechnische seinpatronen af te vuren en die kunnen worden omgebouwd om door explosieve voortstuwing een lading, een kogel of een projectiel uit te stoten, als vuurwapens.

3. De Commissie stelt uitvoeringshandelingen vast met daarin de technische specificaties voor alarm- en seinwapens die op of na 14 september 2018 zijn vervaardigd of ingevoerd in de Unie om te waarborgen dat zij niet kunnen worden omgebouwd om door explosieve voortstuwing een lading, een kogel of een projectiel uit te stoten. Die uitvoeringshandelingen worden volgens de in artikel 13 ter, lid 2, bedoelde onderzoeksprocedure vastgesteld. De Commissie stelt de eerste van die uitvoeringshandelingen uiterlijk op 14 september 2018 vast.

Artikel 10 ter

1. De lidstaten nemen maatregelen om ervoor te zorgen dat het onbruikbaar maken van vuurwapens door een bevoegde autoriteit wordt gecontroleerd teneinde te garanderen dat alle essentiële onderdelen van het vuurwapen door deze aanpassingen aan het vuurwapen blijvend onbruikbaar worden en onmogelijk zodanig verwijderd, vervangen of aangepast kunnen worden dat het wapen op enigerlei wijze opnieuw gebruiksklaar zou kunnen worden gemaakt. De lidstaten zorgen ervoor dat in het kader van die controle een certificaat en een document worden afgegeven waaruit blijkt dat het vuurwapen onbruikbaar is gemaakt en dat op het vuurwapen een duidelijk zichtbare markering wordt aangebracht waaruit dat blijkt.

2. De Commissie stelt uitvoeringshandelingen vast met normen en technieken voor de onbruikbaarmaking van wapens om te waarborgen dat alle essentiële onderdelen van een vuurwapen blijvend onbruikbaar worden gemaakt en onmogelijk zodanig verwijderd, vervangen of aangepast kunnen worden dat het wapen op enigerlei wijze opnieuw gebruiksklaar zou kunnen worden gemaakt. Die uitvoeringshandelingen worden volgens de in artikel 13 ter, lid 2, bedoelde onderzoeksprocedure vastgesteld.

3. De in lid 2 bedoelde uitvoeringshandelingen zijn niet van toepassing op vuurwapens die onbruikbaar zijn gemaakt vóór de datum van toepassing van die uitvoeringshandelingen, tenzij die vuurwapens na die datum naar een andere lidstaat zijn overgebracht of op de markt zijn gebracht.

4. De lidstaten kunnen de Commissie binnen twee maanden na 13 juni 2017 in kennis stellen van hun nationale normen en technieken voor de onbruikbaarmaking van wapens die vóór 8 april 2016 van toepassing waren, met opgave van de redenen waarom het veiligheidsniveau dat wordt verzekerd door die nationale normen en technieken voor onbruikbaarmaking gelijkwaardig is aan het veiligheidsniveau dat wordt verzekerd door de technische specificaties voor de onbruikbaarmaking van vuurwapens als vastgesteld in bijlage I bij Uitvoeringsverordening (EU) 2015/2403 van de Commissie (*4) zoals van toepassing op 8 april 2016.

5. Indien de lidstaten een kennisgeving als bedoeld in lid 4 van dit artikel aan de Commissie doen toekomen, neemt de Commissie uiterlijk twaalf maanden na de kennisgeving uitvoeringshandelingen aan waarin wordt aangegeven of de ter kennis gestelde nationale normen en technieken voor onbruikbaarmaking verzekerden dat vuurwapens onbruikbaar zijn gemaakt tot op een veiligheidsniveau dat gelijkwaardig is aan het veiligheidsniveau dat wordt verzekerd door de technische specificaties voor onbruikbaarmaking van vuurwapens als vastgesteld in bijlage I bij Uitvoeringsverordening (EU) 2015/2403 zoals van toepassing op 8 april 2016. Die uitvoeringshandelingen worden volgens de in artikel 13 ter, lid 2, bedoelde onderzoeksprocedure vastgesteld.

6. Tot de datum van toepassing van de in lid 5 bedoelde uitvoeringshandelingen voldoet elk vuurwapen dat onbruikbaar is gemaakt overeenkomstig de nationale normen en technieken voor onbruikbaarmaking die vóór 8 april 2016 van toepassing waren, wanneer het is overgebracht naar een andere lidstaat of op de markt is gebracht, aan de technische specificaties voor onbruikbaarmaking van vuurwapens als vastgesteld in bijlage I bij Uitvoeringsverordening (EU) 2015/2403.

7. Vuurwapens die vóór 8 april 2016 onbruikbaar zijn gemaakt overeenkomstig de nationale normen en technieken voor onbruikbaarmaking die zijn geacht een veiligheidsniveau te verzekeren dat gelijkwaardig is aan het veiligheidsniveau dat wordt verzekerd door de technische specificaties voor onbruikbaarmaking van vuurwapens als vastgesteld in bijlage I bij Uitvoeringsverordening (EU) 2015/2403 zoals van toepassing op 8 april 2016, worden beschouwd als onbruikbaar gemaakte vuurwapens, ook wanneer ze worden overgebracht naar een andere lidstaat of op de markt worden gebracht na de datum van toepassing van de in lid 5 bedoelde uitvoeringshandelingen.

(*4) Uitvoeringsverordening (EU) 2015/2403 van de Commissie van 15 december 2015 tot vaststelling van gemeenschappelijke richtsnoeren betreffende normen en technieken om te waarborgen dat onbruikbaar gemaakte vuurwapens voorgoed onbruikbaar zijn (PB L 333 van 19.12.2015, blz. 62)


HOOFDSTUK 3 Formaliteiten voor het verkeer van wapens in de Unie

Artikel 11

1. Onverminderd artikel 12 mogen vuurwapens slechts van de ene lidstaat naar een andere worden overgebracht indien de in dit artikel omschreven procedure wordt gevolgd. Die procedure is ook van toepassing op overbrenging van vuurwapens na verkoop middels een overeenkomst op afstand als gedefinieerd in punt 7 van artikel 2 van Richtlijn 2011/83/EU.

2. Wat de overbrenging van vuurwapens naar een andere Lid-Staat betreft, doet de belanghebbende vóór iedere verzending de Lid-Staat waar deze wapens zich bevinden, mededeling van:
- naam en adres van de verkoper of de overdragende persoon en van de koper of verwervende persoon of, in voorkomend geval, van de eigenaar,
- het adres waarnaar deze wapens zullen worden verzonden of vervoerd,
- het aantal wapens dat van de zending of het vervoer deel uitmaakt,
- de identificatiegegevens betreffende elk wapen en bovendien de vermelding dat het wapen is gecontroleerd volgens de bepalingen van het Verdrag van 1 juli 1969 inzake wederzijdse erkenning van keurmerken van handvuurwapens,
- de wijze van overbrenging,
- de datum van vertrek en de vermoedelijke datum van aankomst.

Bij overbrenging tussen wapenhandelaars behoeven de gegevens bedoeld in de laatste twee streepjes niet te worden meegedeeld.

De Lid-Staat onderzoekt onder welke omstandigheden de overbrenging zal geschieden, met name met het oog op de veiligheid.

Indien de Lid-Staat deze overbrenging toestaat, verleent hij daarvoor een vergunning waarin alle in de eerste alinea genoemde gegevens zijn vermeld. Dit document dient de vuurwapens tot aan de bestemming te vergezellen en dient op elk verzoek van de autoriteiten van de Lid-Staten te worden overgelegd.

3. Behalve voor oorlogswapens kan iedere Lid-Staat voor de overbrenging van vuurwapens die overeenkomstig artikel 2, lid 2, niet onder de werkingssfeer van deze richtlijn vallen, aan wapenhandelaars het recht toekennen om, zonder voorafgaande vergunning in de zin van lid 2, vuurwapens van zijn grondgebied naar een in een andere Lid-Staat gevestigde wapenhandelaar over te brengen. Hij geeft daartoe een machtiging af die hoogstens drie jaar geldig blijft en te allen tijde bij met redenen omkleed besluit kan worden geschorst of ingetrokken. De vuurwapens moeten tot de bestemming vergezeld blijven van een document waarin die machtiging wordt vermeld; dat document moet op verzoek van de autoriteiten van de Lid-Staten worden voorgelegd.
[Voorafgaand aan de datum van overbrenging stelt de wapenhandelaar de instanties van de lidstaat van waaruit de overbrenging zal geschieden, in kennis van alle in de eerste alinea van lid 2 vermelde gegevens. Die instanties voeren, waar passend ter plaatse, inspecties uit om te controleren of de door de wapenhandelaar verstrekte informatie overeenkomt met de feitelijke kenmerken van de overbrenging. De gegevens worden door de wapenhandelaar tijdig meegedeeld.]

4. Iedere Lid-Staat verstrekt de andere Lid-Staten een lijst van vuurwapens waarvoor de vergunning om deze naar zijn grondgebied over te brengen, zonder zijn voorafgaande toestemming mag worden verleend.
Deze lijsten met vuurwapens worden medegedeeld aan de wapenhandelaars die in het kader van de procedure van lid 3 een machtiging hebben verkregen om vuurwapens zonder voorafgaande toestemming over te brengen.
derde lid gewijzigd door richtlijn 2008/51

Artikel 12

1. Behalve wanneer de procedure van artikel 11 wordt gevolgd, is het voorhanden hebben van een vuurwapen gedurende een reis door twee of meer Lid-Staten slechts toegestaan, indien de belanghebbende van genoemde Lid-Staten een vergunning heeft verkregen.
De Lid-Staten kunnen deze vergunning verlenen voor één of meer reizen en voor een periode van maximaal één jaar, die kan worden verlengd. Deze vergunning wordt vermeld op de Europese wapenpas die de reiziger op elk verzoek van de autoriteiten van de Lid-Staten moet overleggen.

2. Niettegenstaande het bepaalde in het eerste lid, kunnen jagers en personen die historische gebeurtenissen naspelen, voor wat betreft in categorie C ingedeelde vuurwapens, en sportschutters, voor wat betreft in categorie B of C ingedeelde vuurwapens en vuurwapens ingedeeld in categorie A waarvoor een vergunning werd verleend krachtens artikel 6, lid 6, of waarvan de vergunning werd bevestigd, vernieuwd of verlengd krachtens artikel 7, lid 4 bis, voor de uitoefening van hun activiteit zonder de in artikel 11, lid 2, bedoelde voorafgaande toestemming gedurende een reis door twee of meer lidstaten één of meer vuurwapens voorhanden hebben, op voorwaarde dat:

a)zij in het bezit zijn van een Europese vuurwapenpas waarin dit vuurwapen of deze vuurwapens zijn vermeld, en

b)zij de reden van de reis kunnen aantonen, met name door het voorleggen van een uitnodiging of een ander bewijs voor hun activiteiten als jager, sportschutter of deelnemer bij het naspelen van historische gebeurtenissen in de lidstaat van bestemming.

Het is de lidstaten niet toegestaan de afgifte van de Europese vuurwapenpas afhankelijk te stellen van de betaling van een vergoeding of heffing.]

Deze afwijking geldt echter niet voor reizen naar een Lid-Staat die verwerving en voorhanden hebben van het betrokken wapen verbiedt of krachtens artikel 8, lid 3, aan een vergunning onderwerpt; in dit geval wordt daarvan op de Europese vuurwapenpas uitdrukkelijk melding gemaakt.
In de context van het in artikel 17 bedoelde verslag onderzoekt de Commissie, in overleg met de Lid-Staten, eveneens de resultaten van de toepassing van de tweede alinea, met name wat de gevolgen daarvan voor de openbare orde en veiligheid betreft.

3. Deze afwijking geldt echter niet voor reizen naar een lidstaat die, krachtens artikel 8, lid 3, de verwerving en het voorhanden hebben van het betrokken wapen verbiedt of afhankelijk stelt van een vergunning. In dat geval wordt daarvan op de Europese vuurwapenpas uitdrukkelijk melding gemaakt. lidstaten kunnen ook weigeren deze afwijking toe te passen in het geval van in categorie A ingedeelde vuurwapens waarvoor een vergunning is verleend krachtens artikel 6, lid 6, of waarvoor de vergunning is bevestigd, vernieuwd of verlengd krachtens artikel 7, lid 4 bis.

Artikel 13

1. Iedere Lid-Staat zendt alle nuttige gegevens waarover hij betreffende definitieve overbrengingen van vuurwapens beschikt, toe aan de Lid-Staat naar het grondgebied waarvan de overbrenging is geschied.

2. De gegevens die de Lid-Staten, krachtens de procedures van artikel 11 inzake de overbrenging van vuurwapens en van artikel 7, lid 2, en van artikel 8, lid 2, inzake verwerving en voorhanden hebben van vuurwapens door niet-ingezetenen, ontvangen, worden uiterlijk tijdens de overbrenging, aan de Lid-Staat van bestemming, en in voorkomend geval, uiterlijk tijdens de overbrenging aan de Lid-Staten van doorvoer, medegedeeld.

3. Ten behoeve van een doelmatige toepassing van deze richtlijn wisselen de lidstaten regelmatig informatie uit. Uiterlijk op 28 juli 2009 zet de Commissie een contactgroep op voor het uitwisselen van informatie voor de toepassing van dit artikel. Elke lidstaat deelt de andere lidstaten en de Commissie mee welke nationale instanties verantwoordelijk zijn voor het toezenden en ontvangen van de gegevens en de nakoming van de in artikel 11, lid 4, vastgelegde verplichtingen.

4. De bevoegde autoriteiten van de lidstaten wisselen op elektronische wijze informatie uit over vergunningen die zijn verleend voor de overbrenging van vuurwapens naar een andere lidstaat en informatie over de weigering om overeenkomstig de artikelen 6 en 7 vergunningen te verlenen op grond van veiligheidsoverwegingen of in verband met de betrouwbaarheid van de betrokken persoon.

5. De Commissie voorziet in een systeem voor de uitwisseling van de in dit artikel vermelde informatie.

De Commissie stelt overeenkomstig artikel 13 bis gedelegeerde handelingen vast om deze richtlijn aan te vullen door het vastleggen van gedetailleerde regelingen voor de systematische elektronische uitwisseling van informatie. De Commissie stelt de eerste van die gedelegeerde handelingen uiterlijk op 14 september 2018 vast.

Artikel 13 bis

1. De bevoegdheid om gedelegeerde handelingen vast te stellen, wordt aan de Commissie toegekend onder de in dit artikel neergelegde voorwaarden.

2. De in artikel 13, lid 5, bedoelde bevoegdheid om gedelegeerde handelingen vast te stellen, wordt aan de Commissie toegekend voor onbepaalde tijd met ingang van 13 juni 2017.

3. Het Europees Parlement of de Raad kan de in artikel 13, lid 5, bedoelde bevoegdheidsdelegatie te allen tijde intrekken. Het besluit tot intrekking beëindigt de delegatie van de in dat besluit genoemde bevoegdheid. Het wordt van kracht op de dag na die van de bekendmaking ervan in het Publicatieblad van de Europese Unie of op een latere daarin genoemde datum. Het laat de geldigheid van de reeds van kracht zijnde gedelegeerde handelingen onverlet.

4. Vóór de vaststelling van een gedelegeerde handeling raadpleegt de Commissie de door elke lidstaat aangewezen deskundigen overeenkomstig de beginselen die zijn neergelegd in het Interinstitutioneel Akkoord van 13 april 2016 over beter wetgeven.

5. Zodra de Commissie een gedelegeerde handeling heeft vastgesteld, doet zij daarvan gelijktijdig kennisgeving aan het Europees Parlement en de Raad.

6. Een overeenkomstig artikel 13, lid 5, vastgestelde gedelegeerde handeling treedt alleen in werking indien het Europees Parlement noch de Raad daartegen binnen een termijn van twee maanden na de kennisgeving van de handeling aan het Europees Parlement en de Raad bezwaar heeft gemaakt, of indien zowel het Europees Parlement als de Raad voor het verstrijken van die termijn de Commissie hebben medegedeeld dat zij daartegen geen bezwaar zullen maken. Die termijn wordt op initiatief van het Europees Parlement of de Raad met twee maanden verlengd.

Artikel 13 ter

1. De Commissie wordt bijgestaan door een comité. Dat comité is een comité in de zin van Verordening (EU) nr. 182/2011 van het Europees Parlement en de Raad (*5).

2. Wanneer naar dit lid wordt verwezen, is artikel 5 van Verordening (EU) nr. 182/2011 van toepassing.

(*5) Verordening (EU) nr. 182/2011 van het Europees Parlement en de Raad van 16 februari 2011 tot vaststelling van de algemene voorschriften en beginselen die van toepassing zijn op de wijze waarop de lidstaten de uitoefening van de uitvoeringsbevoegdheden door de Commissie controleren (PB L 55 van 28.2.2011, blz. 13)

Artikel 14

De Lid-Staten stellen bepalingen vast om de binnenkomst op hun grondgebied te verbieden:
- van een vuurwapen, behalve in de omstandigheden en met inachtneming van de voorwaarden die in de artikelen 11 en 12 zijn genoemd;
- van een ander wapen dan een vuurwapen, mits de nationale bepalingen van de betrokken Lid-Staat zulks toestaan.


HOOFDSTUK 4 Slotbepalingen

Artikel 15

1. De Lid-Staten versterken de controles op het voorhanden hebben van wapens aan de buitengrenzen van de Gemeenschap.
Zij zien in het bijzonder erop toe dat reizigers uit derde landen die voornemens zijn zich naar een tweede Lid-Staat te begeven, artikel 12 in acht nemen.

2. Deze richtlijn vormt geen beletsel voor door de Lid-Staten of door de vervoerder bij het aan boord gaan van een vervoermiddel te verrichten controles.

3. De Lid-Staten stellen de Commissie in kennis van de wijze waarop de in de leden 1 en 2 bedoelde controles worden verricht. De Commissie verzamelt deze gegevens, die door haar aan alle Lid-Staten ter beschikking worden gesteld.

4. Elke Lid-Staat stelt de Commissie in kennis van zijn nationale bepalingen, met inbegrip van wijzigingen, met betrekking tot de verwerving en het voorhanden hebben van wapens, voor zover de nationale wetgeving strenger is dan de aan te nemen minimumnorm. De Commissie deelt deze inlichtingen aan de andere Lid-Staten mede.

Artikel 16

[De lidstaten stellen de regels vast inzake de sancties die van toepassing zijn op overtredingen van de ter uitvoering van deze richtlijn vastgestelde nationale bepalingen en nemen de nodige maatregelen om de toepassing van die sancties te verzekeren. De sancties moeten doeltreffend, evenredig en afschrikkend zijn.]
gewijzigd door richtlijn 2008/51

Artikel 17
Uiterlijk op 14 september 2020, en daarna om de 5 jaar, dient de Commissie bij het Europees Parlement en de Raad een verslag in over de toepassing van deze richtlijn, met inbegrip van een geschiktheidscontrole van de bepalingen ervan, in voorkomend geval vergezeld van wetgevingsvoorstellen, met name betreffende de categorieën van vuurwapens in bijlage I en aangelegenheden in verband met de tenuitvoerlegging van het systeem voor de Europese vuurwapenpas, in verband met markering en in verband met de effecten van nieuwe technologieën zoals 3D-printen, het gebruik van een QR-code en het gebruik van radiofrequentie-identificatie (RFID.)

Artikel 18

De Lid-Staten doen de nodige wettelijke en bestuursrechtelijke bepalingen in werking treden om uiterlijk tijdig aan deze richtlijn te voldoen opdat de in deze richtlijn vervatte maatregelen uiterlijk op 1 januari 1993 van toepassing zijn. Zij stellen de Commissie en de andere Lid-Staten onverwijld van de genomen maatregelen in kennis.
Wanneer de Lid-Staten deze bepalingen aannemen, wordt in die bepalingen naar de onderhavige richtlijn verwezen of wordt hiernaar verwezen bij de officiële bekendmaking van die bepalingen. De regels voor deze verwijzing worden vastgesteld door de Lid-Staten.

Artikel 19

Deze richtlijn is gericht tot de Lid-Staten. Gedaan te Luxemburg, 18 juni 1991. Voor de Raad

BIJLAGE I

I. In de zin van deze richtlijn wordt verstaan onder "wapens"

  • [vuurwapens zoals gedefinieerd in artikel 1 van deze richtlijn;
  • ]

  • "niet-vuurwapens" als gedefinieerd in de nationale wetgevingen.

eerste streepje gewijzigd door richtlijn 2008/51

II. In de zin van deze richtlijn worden vuurwapens ingedeeld in de volgende categorieën:

A. Ieder voorwerp dat tot een van de volgende categorieën behoort, met uitzondering van voorwerpen die voldoen aan de definitie, doch die daarvan zijn uitgesloten om de in punt III vermelde redenen.

Categorie A - Verboden vuurwapens
1. Geschut en lanceerinrichtingen voor militaire doeleinden;
2. Automatische vuurwapens;
3. Camouflagevuurwapens;
4. Munitie waarmee een pantserplaat kan worden doorboord, munitie met springlading of brandsas, alsmede de voor het afschieten van deze munitie gebruikte kogels;
5. Munitie voor pistolen en revolvers met expanderende kogels alsmede de voor het afschieten van deze munitie gebruikte kogels, behalve wanneer het jachtwapens of wapens voor schijfschieten betreft voor personen die bevoegd zijn deze te gebruiken.
6. Automatische vuurwapens die zijn omgebouwd tot semiautomatische vuurwapens, onverminderd het bepaalde in artikel 7, lid 4 bis.

7. Elk van de volgende semiautomatische vuurwapens met centrale ontsteking:

a)korte vuurwapens waarmee meer dan 21 patronen kunnen worden afgevuurd zonder te herladen, indien:
i)een magazijn met een capaciteit van meer dan 20 patronen onderdeel is van dat vuurwapen, of
ii)er een afneembaar magazijn met een capaciteit van meer dan 20 patronen in wordt geplaatst;

b)lange vuurwapens waarmee meer dan 11 patronen kunnen worden afgevuurd zonder te herladen, indien:

i)een magazijn met een capaciteit van meer dan 10 patronen onderdeel is van dat vuurwapen, of
ii)er een afneembaar magazijn met een capaciteit van meer dan 10 patronen in wordt geplaatst.

8. Lange semiautomatische vuurwapens (d.w.z. vuurwapens die oorspronkelijk zijn bedoeld om te worden afgevuurd vanaf de schouder) die kunnen worden ingekort tot een lengte van minder dan 60 cm zonder functionaliteit te verliezen door middel van een opvouwbare of telescopische kolf of een kolf die kan worden verwijderd zonder gebruik van instrumenten.

9. Alle vuurwapens in deze categorie die zijn omgebouwd om losse patronen, irriterende stoffen, andere werkzame stoffen of pyrotechnische patronen af te vuren of zijn omgebouwd tot wapens voor saluutschoten of akoestische signalen.

Categorie B - Vergunningsplichtige vuurwapens

1. Korte repeteervuurwapens.
2. Korte enkelschotsvuurwapens met centrale ontsteking.
3. Korte enkelschotsvuurwapens met randvuurontsteking met een totale lengte van minder dan 28 cm.
4. Lange semiautomatische vuurwapens waarvan het magazijn en de kamer samen meer dan drie patronen kunnen bevatten in het geval van vuurwapens met randvuurontsteking en meer dan drie maar minder dan twaalf patronen in het geval van vuurwapens met centrale ontsteking.
5. Korte semiautomatische vuurwapens, andere dan die vermeld in punt 7a) van categorie A.
6. Lange semiautomatische vuurwapens als vermeld in categorie A, punt 7 b), waarvan het magazijn en de kamer samen niet meer dan drie patronen kunnen bevatten, indien het magazijn afneembaar is of niet kan worden gegarandeerd dat het wapen niet met algemeen gangbare werktuigen kan worden omgebouwd tot een wapen waarvan het magazijn en de kamer samen meer dan drie patronen kunnen bevatten.
7. Lange repeteer- en semiautomatische vuurwapens met een gladde loop die ten hoogste 60 cm lang is.
8. Alle vuurwapens in deze categorie die zijn omgebouwd om losse patronen, irriterende stoffen, andere werkzame stoffen of pyrotechnische patronen af te vuren of zijn omgebouwd tot wapens voor saluutschoten of akoestische signalen.
9. Civiele semiautomatische vuurwapens die het uiterlijk hebben van automatische vuurwapens, andere dan die vermeld in punt 6, 7 of 8 van categorie A

Categorie C - Aangifteplichtige vuurwapens en wapens

1. Lange repeteervuurwapens, andere dan die vermeld in punt 7 van categorie B.
2. Lange enkelschotsvuurwapens met getrokken loop.
3. Lange semiautomatische vuurwapens, andere dan die vermeld in categorie A of B.
4. Korte enkelschotsvuurwapens met randvuurontsteking met een totale lengte van ten minste 28 cm.
5. Alle vuurwapens in deze categorie die zijn omgebouwd om losse patronen, irriterende stoffen, andere werkzame stoffen of pyrotechnische patronen af te vuren of zijn omgebouwd tot wapens voor saluutschoten of akoestische signalen.
6. Vuurwapens ingedeeld in categorie A of B of deze categorie die onbruikbaar zijn gemaakt overeenkomstig Uitvoeringsverordening (EU) 2015/2403.
7. Lange enkelschotsvuurwapens met gladde loop die op de markt worden gebracht op of na 14 september 2018

B. De essentiële onderdelen van deze vuurwapens.
Het sluitingsmechanisme, de kamer en de loop van vuurwapens die, als afzonderlijke voorwerpen, vallen onder de categorie waarin het vuurwapen waarvan zij deel uitmaken of waarvoor zij bestemd zijn, is ingedeeld.

III. In de zin van deze bijlage vallen niet onder de definitie van vuurwapens voorwerpen die voldoen aan de definitie, maar die:

a)ontworpen zijn voor het geven van alarm of signalen, reddingsactiviteiten, het slachten van dieren of visserij met harpoenen, of bestemd zijn voor industriële of technische doeleinden, mits zij alleen voor dat welbepaalde gebruik kunnen worden aangewend;

b)als antieke wapens worden beschouwd, mits zij niet vallen onder de categorieën als vastgesteld in deel II en zij aan de nationale wetgeving onderworpen zijn.

Zolang er geen coördinatie op het niveau van de Unie heeft plaatsgevonden, kunnen de lidstaten hun nationale wetgeving toepassen op de in dit deel genoemde vuurwapens.

IV. In de zin van deze bijlage wordt verstaan onder:
a) "kort vuurwapen", een vuurwapen waarvan de loop niet langer is dan 30 centimeter of waarvan de totale lengte niet meer dan 60 centimeter bedraagt;
b) "lang vuurwapen", een vuurwapen dat niet tot de categorie "kort vuurwapen" behoort;
c) "automatisch wapen", een vuurwapen dat na elk schot automatisch weer geladen wordt en dat bij eenmalige bediening van de trekker een vuurstoot kan afvuren;
d) "semi-automatisch wapen", een vuurwapen dat na elk schot automatisch weer geladen wordt en dat bij eenmalige bediening van de trekker niet meer dan één projectiel kan afvuren;
e) "repeteerwapen", een vuurwapen dat na elk schot met de hand via een mechanisme opnieuw wordt geladen door uit een lader een kogel in de kamer te brengen;
f) "enkelschotswapen", een vuurwapen zonder lader, dat voor elk schot wordt geladen door met de hand een kogel in de kamer of in een hiertoe aangebrachte ruimte bij de ingang van de loop te brengen;
g) "munitie waarmee een pantserplaat kan worden doorboord", munitie voor militaire doeleinden met een pantserkogel met harde doorborende kern;
h) "munitie met springlading", munitie voor militaire doeleinden met een kogel die een bij inslag exploderende lading bevat;
i) "munitie met brandsas", munitie voor militaire doeleinden met een kogel die een chemisch mengsel bevat dat bij aanraking met de lucht of bij inslag ontvlamt.

BIJLAGE II

EUROPESE VUURWAPENPAS

De pas omvat de volgende rubrieken:
a) Identificatie van de houder;
b) Identificatie van het vuurwapen of de vuurwapens, met vermelding van de categorie in de zin van de richtlijn;
c) Geldigheidsduur van de pas;
d) Gedeelte voor gegevens van de Lid-Staat die de pas heeft afgegeven (aard en referenties van de vergunningen, enz.);
e) Gedeelte voor gegevens van de andere Lid-Staten (vergunning voor binnenkomst, enz.);
f) De vermelding:
"„Het recht om zich met een vuurwapen of vuurwapens ingedeeld in categorie A, B of C als vermeld op deze pas naar een andere lidstaat te begeven, wordt afhankelijk gesteld van een vergunning of vergunningen op voorhand afgegeven door de bezochte lidstaat. Dergelijke vergunningen kunnen worden vermeld op de pas.

De voorafgaande vergunning als hierboven bedoeld is in beginsel niet nodig voor reizen met een in categorie C ingedeeld vuurwapen met het oog op de jacht of het naspelen van historische gebeurtenissen of met een in categorie A, B of C ingedeeld vuurwapen om aan sportschieten te doen, mits de reiziger in bezit is van de vuurwapenpas en de reden van de reis kan aantonen.”

Indien een lidstaat de andere lidstaten overeenkomstig artikel 8, lid 3, ervan in kennis heeft gesteld dat het voorhanden hebben van bepaalde vuurwapens ingedeeld in categorie B of C verboden is of van een vergunning afhankelijk is gesteld, wordt een van de volgende vermeldingen toegevoegd:

„Het is verboden zich met vuurwapen… [identificatie] naar… [naam van de betrokken lidstaat of lidstaten] te begeven.”

„Om zich met vuurwapen… [identificatie] naar… [naam van de betrokken lidstaat of lidstaten] te begeven, is een vergunning vereist."